Ik was laatst in de apotheek. En dat is een enge plek. Je bent omringt door mensen die medicijnen voor weetikveelwat komen halen. Misschien AIDS-remmers, een zalfje tegen eczeem, een fles anti-acne, parkinsonpillen, tyfus in een tube, je weet het niet. Ik moest hooikoortspillen halen. Met een herhaalrecept dus ik zei niet wat ik nodig had tegen de assistente. Het was een maandag voor de vakantie dus er waren geen kinderen. Alleen ouderen, vrouwen in de overgang en een verdwaalde moeder. En dan sta je daar als jongere die wegloopt met drie pakjes pillen in zijn hand. Met lang haar en metalshirt. In hun hoofd heb je twee dingen vast: antidepressiva of een of andere harddrug om hard op te gaan. Je voelt de ogen in je rug priemen. Ze weten dat je het toch doorverkoopt.
De enige plek enger dan de apotheek is het ziekenhuis. Waar je ook bent, hoe sterk de geur van schoonmaakmiddel ook is, je ruikt maar één ding en dat kan zelfs dat chloor niet verbergen: de geur van dood. Dagelijks sterven er mensen in dat huis waar jij bent om je arm te laten ingipsen omdat je van een hek gevallen bent. Je voelt je minderwaardig, wat is een gipsen arm nou vergeleken met een ziekbed van drie jaar? En je denkt maar een ding: ik wil hier niet sterven.
De hele sfeer in zo'n ziekenhuis is depressiever dan een emo-meeting op Utrecht Centraal. Niemand lacht. Logisch ook, maar ik kan me niet stoppen in te beelden hoe een vrolijk ziekenhuis eruit zou zien.
"Dokter Lachebek naar OK 3!" Nou, mevrouw *pff* ik zie het al. U heeft (wahahaha) myoclonus in uw interior sphyncter!"
Geen opmerkingen:
Een reactie posten